Statiegeld en sojabrokjes: innovatie als collectief proces

Eendracht maakt macht, ook in innovatieland. Maar wat is het precies dat samenwerken zo belangrijk maakt? Hoe beïnvloedt samenwerking innovatietrajecten? En kan het soms ook juist slecht zijn voor vernieuwing? We vroegen het hoogleraar Innovatiewetenschappen Marko Hekkert.

Als expert op het gebied van duurzaamheidstransities, en dan met name de rol van innovaties daarbinnen, bestudeert Marko Hekkert allerhande duurzame innovatietrajecten. ‘Er zijn veel overeenkomsten in innovatietrajecten, mijn collega’s en ik proberen algemeenheden te vinden die we kunnen gebruiken om bijvoorbeeld beleidsmakers te helpen. Om uit te leggen: als je dit wilt doen, moet je hier rekening mee houden.’ Een van die dingen om rekening mee te houden in een innovatietraject, is de rol van samenwerking.

Innovatie als collectief proces

‘Innovatie is een collectief proces’,  legt Hekkert uit. ‘Er zijn veel verschillende partijen die daar op hun eigen manier aan bijdragen. Daar hoeven ze niet perse hechte netwerken voor te vormen. Als iedereen zijn eigen ding doet, kan het ook werken. Maar in een samenwerkend en gecoördineerd netwerk gaat innovatie sneller. Vergelijk het met een voetbalteam: als je 11 voetballers bij elkaar zet, dan kun je best een potje spelen. Maar als je er een trainer bij zet die zegt “We gaan het op deze manier doen”, dan wordt het collectief effectiever.’

Maar als beginnende innovator is het nog lastig om zo’n hecht netwerk te vormen. Vaak ontstaan deze collectieven pas op een later moment in het innovatietraject, legt Hekkert uit. ‘Alle innovatietrajecten doorlopen verschillende fasen. In de eerste fasen experimenteren mensen, doen ze hun eigen ding en proberen het verschil te maken. Zo’n innovatie ontwikkelt verder en uiteindelijk ontstaan in een latere fase een branchevereniging en lobbyclubs. In zowat elk innovatietraject vindt coördinatie en samenwerking plaats, maar in de vroegste fasen is dat lastiger. Je moet dan nog een plekje veroveren in het netwerk.’

Van smakeloze sojabrokjes naar snelgroeiend productsegment

Op dit moment onderzoekt Hekkert de opkomst van plantaardige eiwitten als duurzame vleesvervangers, een innovatief netwerk dat inmiddels aardig vorm begint te krijgen. ‘Vroeger waren er alleen maar sojabrokjes die niet te eten waren, maar nu zijn er al vrij goede alternatieven. Ondernemers hebben besloten dat ze producten willen maken die consumenten aantrekkelijk vinden. Zij zijn afhankelijk van technologieontwikkelaars die een methode bedenken om tot een lekker product te komen. Universiteiten doen onderzoek en krijgen daar van de overheid middelen voor. Retailers besluiten of ze het in het schap willen zetten of niet. Het Voedingscentrum zoekt vervolgens uit of het gezond is.’

De Green Proteine Alliance hangt als overkoepelende instantie boven al die verschillende spelers. Deze vereniging brengt de verschillende partijen samen en zoekt uit hoe de ontwikkeling van plantaardige vleesvervangers versneld kan worden, net zoals de voetbaltrainer het voetbalteam effectiever maakt. ‘Niet elk innovatienetwerk heeft zo’n coördinator nodig. Maar in dit geval werkt het – mede daardoor zijn vleesvervangers nu een van de snelst groeiende productsegmenten.’

Coöpetitie

Samenwerken hoeft niet alleen interessant te zijn voor bedrijven die elkaar willen helpen om verder te komen. Juist voor concurrerende bedrijven kan het ook nuttig zijn. ‘Stel dat verschillende bedrijven bezig zijn met vergelijkbare innovatieve ontwikkelingen. Op het moment dat je echt iets nieuws doet, kent de consument het nog niet. Veel regelgeving is afgestemd op wat we al kennen, dus zal nieuwe ontwikkelingen ook in de weg zitten. Financiers kennen het nog niet, waardoor het moeilijk is om aan kapitaal te komen. Concurrenten hebben er allebei belang bij dat hun innovatie wordt herkend als iets beloftevols. Door samen te werken kunnen ze een hype creëren rondom die ontwikkelingen. Dat wordt ook wel coöpetitie genoemd.’

Een klassiek voorbeeld zijn bierbrouwers. In de markt concurreren zij om zoveel mogelijk bier te verkopen. Maar op het moment dat je als consument je flesje inlevert voor statiegeld, maakt het niet meer uit of je een Bavaria-flesje in een Heineken-krat doet. De bierbrouwers plakken er een nieuw etiket op en kunnen zo elkaars flesjes hergebruiken, goedkoper én duurzamer.

Als innovatie sneuvelt door samenwerking

Op die manier kan samenwerking leiden tot verduurzaming en vernieuwing. Vaak gaat dat goed, maar soms is het lastig. Als een idee té disruptief is, bijvoorbeeld. Als onderzoeker loopt Hekkert daar tegenaan bij NWO. ‘Als NWO projecten financiert, vragen ze je om cofinanciering te regelen bij bedrijven. Zo laat je zien dat je onderzoek maatschappelijk relevant is. Maar op het moment dat het gaat over duurzame vernieuwing, kan het lastig zijn om bedrijven te vinden om mee samen te werken. Veel bedrijven vinden het namelijk helemaal niet leuk om te horen dat ze misschien wel onderdeel van het probleem zijn en zijn daarom niet geïnteresseerd om in duurzaamheidstrajecten mee te gaan.’

Hekkert erkent dat zulke regels zijn opgesteld vanuit een positieve gedachte, maar vraagt zich af of je kunt verwachten dat er samenwerking zal plaatsvinden op onderwerpen die misschien wel destructief zijn voor bepaalde sectoren. ‘Door samenwerking te verlangen van innovators, kun je vernieuwing ook vertragen. Als je écht innovatieve dingen doet, moet je proberen samen te werken waar het kan. Maar als het niet lukt omdat een idee té innovatief is, zouden organisaties zoals NWO een uitzondering moeten maken. Op die manier sneuvelen innovatieve ontwikkelingen niet door dit soort regels.’